Zuster Fia Verstreken van de ‘Zusters Kindsheid Jesu’, een leven lang in Kattenbos

Zuster Fia Verstreken van de ‘Zusters Kindsheid Jesu’, een leven lang in Kattenbos

Voor ons interview met   – in  de volksmond ook wel de ‘blauwzusters’ genoemd – gingen we naar de Bekelaar waar hun klooster nog steeds is.

Spraakwaterval zuster Fia steekt onmiddellijk van wal: in 1835 was Gent een industriestad in volle ontwikkeling en werd geteisterd door bittere armoede, slechte hygiënische omstandigheden en dodelijke epidemieën. Jonge kinderen werden vaak aan hun lot overgelaten en waren de eerste slachtoffers. De prille kloostergemeenschap kreeg de naam ‘Zusters Kindsheid Jesu’. De kinderen die aan ons werden toevertrouwd, zouden we verzorgen als waren ze het kind Jezus zelf. Als godgewijde vrouwen dienden we in het kind Jezus een model te zien voor kloosterlijke nederigheid en gehoorzaamheid.

Een voorbeeld hiervan is dat we op de geboortedag van Jezus, kerstdag niet buitenshuis komen en terugdenken aan onze opdracht als kloosterorde” zegt zuster Fia.

Onze zorg voor jonge kinderen, vondelingen en wezen evolueerde in de tijd naar gezondheid voor alle noodlijdenden en onderwijs. In 1926 werd gestart met missiewerking in samenwerking met de Scheutisten trokken tientallen zusters naar Congo. Ook daar werd de opvang van weeskinderen, het genezen en verzorgen van zieken en de opvoeding van arme meisjes hun kernopdracht. In 1935 werd de eerste humaniora voor meisjes te Hasselt in Limburg opgericht. In die tijd was dit bijzonder revolutionair omdat meisjes daardoor meteen toegang kregen tot de universiteit.

Hoe heb je die evolutie ervaren?

In de loop van de negentiende en twintigste eeuw nam het aantal zusters stelselmatig toe, met rond 1960 een hoogtepunt van meer dan 700 zusters. In Lommel is er in 1942 het Maria Middelaresziekenhuis gekomen waar ca 20 zusters geweest. Nu nog 7, alhoewel er tijdelijk nog 2 overkomen van Hasselt. Ikzelf ben altijd in de gezondheidszorg actief (geweest)!

Heb je altijd in Kattenbos gewoond en school gelopen?

Nee, maar als baby ben ik naar Lommel verhuisd. Mijn vader was van Scherpenheuvel, werkte bij de spoorwegen en kreeg een plaats in Lommel. Zo woonden we 23 jaar in de “machinet”, een bijgebouw van het stationsgebouw waar stationschef M. Swinnen woonde.

Foto naar een prentkaart van Antonie Broeks, publicatie van de vzw Erfgoed Lommel. Het huis wordt hier roethuisje genoemd. De kerk en het Eymardinsituut zijn rechts zichtbaar.

Mijn moeder diende bij een barones in Diest en na de geboorte van hun vier kinderen is ze huisvrouw geworden, zo ging dat toen. Mijn oudste zus is erg jong overleden, ik heb ze nooit gekend. Mijn vader is op 62 jarige leeftijd gestorven, mijn oudere broer ook en mijn moeder is maar 66 geworden. Mijn jongste broer was 10 jaar jonger, maar ook overleden.

Die stationswoning (tegenover het vroegere stationsgebouw) is er nu niet meer, ze stond vol met schietgaten van de oorlog. Vanuit de kamer van moeder keken we recht op de kerk van Lommel. In de statie werd aangegeven met een geelblauw plakkaat of er gevaar was. Dan konden we in de schuilkelder van de statie even tot rust komen van de oorlog. Ook bij de paters van Eymard hebben we onder de oorlog nog in de kelders gewoond. In de Haardstraat ben ik als kind naar school gegaan en daarna heb ik de huishoudschool afgedaan bij de zusters van Sint-Jozef in de Kloosterstraat. We  moesten van vader een diploma met handenarbeid halen, ik zowel als mijn broers. Mijn vader was niet zo blij met de vraag van zuster Veronique -die toen overste in Lommel was- of ik het zag zitten om met enkele klasgenoten de verpleegstersschool in Munsterbilzen op te starten. Dat was bij psychiatrische patiënten en dat lag me toen niet zo, dus ben ik terug naar huis gegaan. Dan ben ik jaren thuis gebleven en hielp in het huishouden en in de grote tuin van mijn vader was er werk genoeg.

Dan heb je ook nog in de Oude Diestersebaan gewoond?

Begin jaren 50 hebben mijn ouders een huis gebouwd in de Oude Diestersebaan, nu nr 28. Mijn oudste broer tekende toen het plan. Dat ouderlijk huis is na het overlijden van mijn ouders eind jaren ’60 via openbare verkoop verkocht in café Daems (redactie: wie het interview met Willy Daems in het kattebelleke gelezen heeft, weet dat dit de eigenaars waren vóór café de Mulder). Mijn broers hadden graag dat ik op de publieke koopdag mee ging. Ik weet nog goed waar ik zat in het café en ik zag hoe Verdonck rechtstond en bood om het huis te hebben. Hij had zelfs de koopsom bij.

Volgende maand lees je het vervolg van ons interview met zuster Fia.